Geschiedenis

Beknopte geschiedenis van Oud-Geleen

Met dank aan: Ad Hoogenboom Heemkundevereniging Geleen

Rond 5.300 v. Chr. woonden er al mensen in (Oud)-Geleen en omgeving en is daarmee één van de oudstbewoonde gebieden van ons land. De bevolkingsgroep die hier woonde waren de bandkeramiekers. Zij kregen deze benaming naar de versieringen die zij op hun aardewerk maakten. In onze omgeving vonden zij vruchtbare lössgrond en water en dat was juist wat ze nodig hadden om met hun vee en landbouw te overleven.

Ook in de daarna volgende eeuwen werd het gebied door allerlei volkeren met hun eigen cultuur en overlevingsmethoden.

Aan het begin van onze jaartelling werd de regio beheerst door de Romeinen en vele vondsten vormen daar het bewijs van. Bij de verbouwing van de brouwerij Schrijnemakers werd in 1882 een sarcophaag gevonden en enkele jaren geleden werd het graf van een inheemse boer uit die tijd gevonden. Hij heette Amandus en is daarmee de oudste bij naam bekende inwoner van Geleen. Ook andere vondsten zoals een wijnzeef en veel aardewerk vormen een bewijs voor een intensieve bewoning in de Romeinse tijd.

De kerk

Het middelpunt van Oud-Geleen (destijds Op-Geleen) vormt de kerk. Deze werd reeds in de Karolingische tijd (800 – 850) gesticht. Hij werd als zaalkerk gebouwd binnen een gebied dat door (droge) grachten enige bescherming bood.

De huidige kerktoren is het oudste monument van Geleen en werd gebouwd in 1504.

In 1257 was het kerspel Geleen in handen van de machtigste heren van onze regio, de Valkenburgers. Walram de Rosse van Valkenburg schonk in 1275 het patronaatsrecht van de kerk aan het Premonstratenzerklooster in Monschau. Vanaf die tijd, tot de Franse inval in 1794 werden er steeds priesters uit dat klooster in Geleen tot pastoor benoemd. In een tijd van schaalvergroting wist Valkenburg zich echter niet te handhaven tegen de oprukkende grootmachten Gulik, Gelre, Brabant en Luik. In de 14de eeuw viel Valkenburg uiteen. Geleen kwam terecht bij de hertog van Brabant als onderdeel van de Landen van Overmaas. De landen van Overmaas gingen vanaf 1430 deel uit maken van het Bourgondische-Habsburgse rijk. Toen Filips II, koning van Spanje en heer der Nederlanden, in financiële nood zat ging hij over tot het verpanden van delen van zijn landen. In 1558 verleende hij het gebied, bestaande uit Geleen, Spaubeek en het kasteel Sint-Jansgeleen de status van heerlijkheid en verpande het tegen 3050 Vlaamse ponden aan Arnold II Huyn. Geleen kreeg zo zijn eigen locale heer met het recht van lage en hoge rechtspraak in de nieuwe heerlijkheid. De eerste heren oefenden nog persoonlijk het dagelijks bestuur uit, maar hun opvolgers lieten dit over aan de door hen aangestelde schout, schepenen en secretaris.

Onvrede over het vanuit Spanje gevoerde beleid van Filips II leidde tot de Nederlandse opstand o.l.v. de protestantse Oranjes. In de vaderlandse geschiedenis staat de opstand bekend als de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648). In deze strijd kozen de Huyns (van Geleen) de kant van de katholieke koning van Spanje. Arnold II Huyn, heer van Geleen, was onder koning Philips II gouverneur en kapitein-generaal van de Landen van Overmaas. Zijn zoon Arnold III Huyn, evenals zijn vader heer van Geleen, trad ook in dienst van de Spaanse koning. Een kleinzoon was veldmaarschalk, Godfried Huyn, die wegens zijn grote verdiensten voor de Keizer en de Katholieke Liga op 5 juli 1640 in de gravenstand werd verheven. In zijn voetsporen ontving Arnold V Wolfgang Huyn, heer van Geleen van (1620-1668), ook deze rang. Op 16 mei 1654 werd de heerlijkheid Geleen door de Koning van Spanje, Filips IV, tot graafschap verheven. Het graafschap Geleen omvatte vanaf 1664 behalve de voormalige heerlijkheid Geleen, ook de heerlijkheid Oirsbeek, inclusief de plaatsen Amstenrade, Merkelbeek en Bingelrade en de heerlijkheid Brunssum inclusief Jabeek en Schinveld.

De afwikkeling van de Vrede van Munster, die in 1648 een einde maakte aan de Tachtigjarige Oorlog, vond in deze regionen pas plaats met de sluiting van het partage-tractaat in 1661, dat de verdeling van de Landen van Overmaas regelde. Geleen kwam, evenals de Zuidelijke Nederlanden, onder Spaans-Habsburgs gezag.

Als lokale heer werden de Huyns in 1669 opgevolgd door de Von Salm. Het later onder Oostenrijks gezag vallend graafschap kreeg in 1735 weer een nieuwe lokale heer, de prinsen Van Ligne. In 1779 kocht een gefortuneerde Luikse zakenman, Willems, het graafschap. Hij liet het in1788 na aan zijn nichtje die met de graaf Marchant d’Ansembourg was getrouwd. Met de komst van de van Franse revolutionaire legers in 1794 vluchtte het gezin en werd het graafschap Geleen opgeheven. Jean-Baptiste graaf Marchant d’Ansembourg was de laatste bezitter van het graafschap.
In 1795 werd Geleen ingedeeld bij het departement van de Nedermaas en bij de Franse Republiek ingelijfd. Tijdens de eerste jaren van het Franse bewind viel Geleen op lokaal niveau onder het kanton Oirsbeek. In 1800 verloren de kantons hun bestuurlijke taak en kwam het laagste bestuursniveau bij de afzonderlijke gemeenten.
Na de Franse tijd maakte de gemeente Geleen in de jaren 1815-1830 deel uit van Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (Nederland en België), van 1830-1839 van België en vanaf 1839 van het huidige Koninkrijk der Nederlanden.

Tot 1866 was de kerk van Oud-Geleen ook de parochiekerk voor de dorpen Krawinkel en Lutterade. Sinds lange tijd stuitte dit op verzet van de inwoners, onder andere omdat zij steeds een vrij grote afstand te voet moesten afleggen om de kerk te bezoeken.

Na heel veel discussie en afgekeurde plannen kreeg men een eigen kerk tussen Lutterade en Krawinkel. Rond de oude kerk hebben zich door de eeuwen heen heel wat traditionele gebruiken afgespeeld. Te denken valt daarbij niet alleen aan kermissen, maar ook aan Vastenavond, de meifeesten, het korsbrood gooien en het gansrijden.

De komst van de staatsmijn  Maurits en de officiele ingebruikname ervan in 1925 betekende ook voor Oud-Geleen een hele omwenteling. Voor het eerst kwamen er in de omgeving veel vreemden wonen en dat was men niet gewend. Ook de infrastructuur werd drastisch aangepast. Zo werd de Hoogsteeg (nu Pastoor Vonckenstraat) veranderd van een holle weg in een brede belangrijke straat. Veel mijnwerkers uit omligende dorpen als Munstergeleen, Schinnen en Puth konden hierlangs naar de Maurits vinden. Hiermee was het gedaan met het dorpse, intieme karakter dat vele eeuwen een kenmerk was van Oud-Geleen. Hoewel… het is niet helemaal gedaan want Oud-Geleen is en blijft een wijk met een uitstraling en een gemeenschapszin dat in vele opzichten uniek is.